Conformisten en rebellen: Rederijkerscultuur in de Nederlanden (1400-1650)

Cover
Bart A. M. Ramakers
Amsterdam University Press, 2003 - 330 Seiten
1 Rezension
De rederijkerij vormt de grootste literaire beweging in de geschiedenis van de Lage Landen. Het letterkundig leven in de vijftiende, zestiende en het begin van de zeventiende eeuw werd door de rederijkers gedomineerd. Uit hun kring bleef een omvangrijke literatuur bewaard waarin op uiteenlopende wijze wordt verwezen naar het persoonlijke, literaire, religieuze, sociale en politieke leven tussen Middeleeuwen en Moderne Tijd. De rederijkers kenden hun eigen organisaties, de rederijkerskamers. Vrijwel iedere stad in Brabant, Vlaanderen, Zeeland en Holland telde er een. Ze hadden een centrale plaats in het web van stedelijke culturele instellingen, gaven vorm en inhoud aan de feestcultuur en droegen bij aan de gedachtewisseling en meningsvorming op velerlei gebied.
In deze bundel wordt vanuit verschillende invalshoeken naar de rederijkers gekeken. Het gaat om de bijdragen aan een congres dat in 2001 in Middelburg werd gehouden ter afsluiting van een samenwerkingsproject van de Vrije Universiteit Amsterdam en de Universiteit Gent.
 

Was andere dazu sagen - Rezension schreiben

Es wurden keine Rezensionen gefunden.

Häufige Begriffe und Wortgruppen

Beliebte Passagen

Seite 155 - Mijne gheminde ick biddu hertelick, Aensiet hoe lettel mijn voys gheacht es Remedieert mijn lijden smertelick, In also varre alst in hu macht es. Een weese, een maecht die dus vercracht es, Van hem die my ter vonten hief, Ach doet mi bijstant, eert al versmacht es, Noeyt volck so goede cause besief, Betraut in gode...
Seite 319 - comt naer, schoon lief eer-baer,wy wil-len vreuchtont-sluy-ten." Ie ghinc tot haer om d'aen- schijn claer ; maer thoer -ken sloot my buy - ten. lek vrijdd' een vraukin alsoo fijn en droech haer goede minne, die al verteerde tgoeyken mijn, want sy was loos van zinne. Sy zey : „comt naer, schoon lief eerbaer, wy willen vreucht ontsluyten.
Seite 318 - Ey, out grisaert, dat beenken moetty knagen, want ghi en hebt niet dat mi dient. 5. „Had ie pampier, schoon parkement, penne ende inct, ick schreve daer inne aen die liefste prince bekent, dat hi soude comen tot zijn vriendinne, dien ie met goeder herten beminne; want mijn man en is niet wel mijn vrient : ey, out grisaert, al -mul i daer om ontsinnen, ie heb een ander lief ken die mi dient.
Seite 316 - Aen haer en weet ie geen misset, des wil ie vruecht orboren ; haer tandekens zyn also wit al warent fijn y voren; haer lippen bloyen als corael, ende wt gedaelt van kinne; waert geen zonde int generael, dit ist principael, ie hieltse voor een goddinne. 4. Moedich ende fier is die ganc, mer selden coemt si buyten; haer vingherkens spelen snaren clanck op harpen ende op luyten ; haer tonge waer ie vruecht bi gewan, spreect woorden van retorijcke ; aerdigher en sach ick noyt an die vruecht ghewan ;...
Seite 318 - Mijn man en is niet wel mijn vrient ey out grifaert, al fliept ghi totter noene Ghi en hebt niet dat mi dient 2. Het was mi van te voren ghefeyt Dat ghi waert van flutfaerts bende V fpel mi oock niet en ghereyt int beghinfel noch int eynde Waer ick mi keere oft wende Mijn man en is niet wel mijn vriet,t ey out grijfaert dat ie v oeyt kende Want ghi en hebt niet dat mi dient.
Seite 119 - Wat wij de mechanisering van het architectonische denken zouden kunnen noemen, voltrok zich veel eerder, namelijk rond het einde van de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw en was slechts één aspect van de omwenteling in de menselijke betrekkingen en de wereldorde.
Seite 186 - Een schoon Tafelspel, van drie Personagien, te weten: Een Prochiaen, gheheeten Eygen ghemack. Een Coster, gheheeten Mensche lijck mensche.
Seite 179 - ... Raby!" heeten in alle percken, Ghy sult noch bichten maechden en vrouwen, Ghy sult noch pelsen draghen tegen 't vercouwen, Men sal noch voer u coopen de beste spyse, Die ter merckt veyl comt in elcx aenschouwen; Daer en leyt niet aen, al isse dier van prise. Ghy en sult niet gheven gheen axcijse, Mer vry syn, al ist voer de steden cleyn profyt; Ghy en sult oock binnen uwen logyse Gheen soldaten houwen, omdat ghy geestelyc syt; Want ghy moet voer ons bidden talder tyt, Studeren en al werm onder...
Seite 184 - Antwerpen hier van belang, de stad die aan het einde van de vijftiende en het begin van de zestiende eeuw...
Seite 318 - Den winter comt aen, den mey is wt, die bloemkens en staen niet meer int groene ; die nachten zyn lanc door des winters vertuyt. nu lust mi wel wat nieus te doene ; mijn ionghe iuecht is nu in saysoene, mijn man en is niet wel mijn vrient i ey, out grisaert, al sliept ghi totter noene, ghi en hebt niet dat mi dient.

Verweise auf dieses Buch

Bibliografische Informationen